Soms kun je je even heel alleen voelen in waar je staat. Vaak zijn dat juist de momenten waarop het even niet wil lukken. Waarop het succes van een ander je ineens aanvliegt. Waarop je zelf nog niet zo ver bent als je had gehoopt. Waarop je na een dag afzondering nog steeds kunt janken om de teksten op je homepage. Waarop de video’s van je concurrent er nét iets te gelikt uitzien en jouw eigen post na acht revisierondes rijper voelt voor de prullenbak dan voor de socials.
Vul zelf maar aan. We kennen ze allemaal, die momenten.
En ondertussen shinet de één na de ander op je tijdlijn. Succesvolle lancering hier, volle zaal daar, nieuwe klant, nieuwe samenwerking, prachtig interview, gelikte video. En als het bij jou even niet lekker gaat, kan dat je behoorlijk aanvliegen.
Daarom snap ik Netflix zo goed.
Daar kun je even ontsnappen. Getroost door een warme kop thee, je afstandsbediening en je altijd trouwe viervoeter (de bank 😉) kijk je naar verhalen die óók niet alleen maar rozengeur en maneschijn prediken. Verhalen waarin mensen struikelen, twijfelen, verliezen, opnieuw beginnen en uiteindelijk toch weer opstaan.
En juist dat kan soms zo lekker zijn.
Niet omdat het leed van een ander jouw dag beter maakt, maar omdat het je eraan herinnert dat het erbij hoort. Dat jij niet de enige bent bij wie het soms schuurt. Dat groei zelden één rechte lijn omhoog is. En vooral: dat dit moment niet het hele verhaal is.
This too shall pass.
Je hoeft een rotdag ook niet altijd meteen om te buigen naar een wijze levensles. Soms mag je gewoon balen. Je even terugtrekken. Je onzeker voelen. Een pot pindakaas opentrekken en jezelf verliezen in drie afleveringen van een serie.
Vraag Brené Brown maar.
Want achter veel vrouwen die we nu kennen als sterk, succesvol en zelfverzekerd, zitten ook verhalen over kritiek, afwijzing, onzekerheid, omwegen, vallen en weer opstaan. Wij zien meestal het hoofdstuk waarin ze hun plek hebben gevonden. Veel minder vaak zien we wat eraan voorafging.
En precies dát vind ik interessant.
Want wij kijken zo gemakkelijk naar hun hoofdstuk twintig en leggen dat vervolgens naast ons eigen hoofdstuk drie.
We zien Brené Brown op grote podia spreken over kwetsbaarheid. We zien Kate Winslet als een vrouw die precies weet waar ze voor staat. We zien Oprah Winfrey als een van de invloedrijkste vrouwen ter wereld en J.K. Rowling als de vrouw achter een van de bekendste boekenreeksen ooit.
Maar ook zij moesten ergens beginnen.
Ook zij kregen kritiek. Werden afgewezen. Twijfelden aan zichzelf. Lieten zich beïnvloeden door wat anderen van hen vonden. Namen omwegen en moesten zichzelf soms weer bij elkaar rapen.
Er zit vaak behoorlijk wat groeipijn tussen wie je bent en wie je uiteindelijk durft te worden.
En daarom neem ik je mee in een paar van die verhalen.
Niet om te bewijzen dat je na genoeg tegenslag vanzelf wereldberoemd wordt. 😉 Wel om je eraan te herinneren dat twijfel, kritiek, onzekerheid en terugval niet automatisch betekenen dat jij verkeerd bezig bent.
Soms betekenen ze gewoon dat je midden in je verhaal zit. Je reis.
Brené Brown: kritiek
Toen Brené Brown in 2010 haar TEDx-talk The Power of Vulnerability gaf, deelde ze niet alleen haar onderzoek, maar ook behoorlijk veel van zichzelf. Ze vertelde over schaamte, kwetsbaarheid en verbinding, maar maakte zichzelf daarin ook zichtbaar. Ze belichaamde eigenlijk precies het onderwerp waarover ze sprak.
De talk ging viraal. Miljoenen mensen zagen haar verhaal en de wereld maakte kennis met Brené Brown.
Een droom, zou je denken.
Maar met al die zichtbaarheid kwam ook iets anders mee: ineens mochten heel veel mensen iets van haar vinden.
Brené vertelde later dat er naast alle steun ook keiharde en gemene persoonlijke aanvallen kwamen. Ze gingen niet alleen over haar ideeën, maar ook over haar uiterlijk, haar gewicht en wie zij als persoon was. Ze omschreef die periode later als een enorme shame shitstorm.
En daar zat ze dan. De onderzoeker die alles wist over kwetsbaarheid en schaamte, ineens zelf midden in precies datgene waar ze jarenlang onderzoek naar had gedaan.
Kennis maakt je blijkbaar nog geen robot.
Het deed pijn.
En dus trok ze zich terug. Met een grote pot pindakaas en uren Downton Abbey.
Ik hou zo van dat detail, omdat het haar onmiddellijk van wereldberoemde onderzoeker weer gewoon mens maakt. Iemand die geraakt wordt. Die zich even wil verstoppen. Die niet direct haar eigen theoretische stappenplan erbij pakt, maar eerst gewoon even baalt.
Juist in die periode stuitte ze op de beroemde speech van Theodore Roosevelt die inmiddels bekendstaat als The Man in the Arena. De kern daarvan is even simpel als krachtig: het is niet de criticus aan de zijlijn die telt, maar degene die daadwerkelijk de arena instapt. Degene die probeert, struikelt, fouten maakt en het risico neemt om te falen.
Die boodschap maakte diepe indruk op haar.
Want dat is natuurlijk het ongemakkelijke aan zichtbaar zijn: zodra jij besluit de arena in te stappen, gaan er ook mensen op de tribune zitten.
Mensen die applaudisseren. Mensen die geraakt worden. Mensen die stil blijven kijken. Mensen die iets van je leren.
En soms ook mensen die roepen dat je het verkeerd doet.
Je kunt jezelf daartegen beschermen. Door je video niet te plaatsen. Door je mening voor je te houden. Door je verhaal net iets gladder te maken. Door je aanbod niet te noemen. Door pas iets naar buiten te brengen als je bijna zeker weet dat niemand er iets van kan vinden.
Alleen houd je daarmee niet alleen kritiek buiten de deur.
Je houdt ook verbinding buiten de deur. Impact. De mensen die jouw verhaal misschien juist nodig hadden.
En misschien is dát wel wat ik het mooiste vind aan het verhaal van Brené Brown. Zelfs iemand die jarenlang onderzoek had gedaan naar kwetsbaarheid moest nog leren hoe het voelt om die kwetsbaarheid werkelijk op grote schaal te leven.
Wat ik van Brené meeneem:
Moed betekent niet dat kritiek je niets doet. Moed betekent dat je de mensen op de tribune niet laat bepalen of jij de arena instapt.
Kate Winslet: zelfbeeld
Kate Winslet was nog maar begin twintig toen Titanic uitkwam en haar in één klap wereldberoemd maakte. Ze kreeg lof voor haar acteerwerk, maar tegelijkertijd begon ook een heel ander gesprek.
Over haar lichaam.
Over haar gewicht.
Over hoe ze eruitzag.
En daar werd bepaald niet zachtzinnig over geschreven.
Winslet heeft later verteld hoe hard die opmerkingen binnenkwamen. Ze beschreef de manier waarop de media destijds over haar lichaam spraken als pesten en vertelde dat ze zichzelf door al die kritiek steeds meer door de ogen van anderen ging bekijken.
En ergens vind ik dat misschien nog wel herkenbaarder dan het grote Hollywoodverhaal eromheen.
Want hoeveel van ons doen precies hetzelfde, alleen op een veel kleiner podium?
Je kijkt naar jezelf door de ogen van je volgers. Door de ogen van een klant. Door de ogen van die ene collega-ondernemer die het allemaal nét wat gelikter lijkt te doen.
Wat zullen ze hiervan vinden?
Is dit wel professioneel genoeg?
Kom ik niet te veel naar voren?
Of juist te weinig?
Is deze foto goed genoeg?
Zeg ik wel iets interessants?
En voor je het weet ben je niet meer bezig met wat jij eigenlijk wilt vertellen, maar vooral met hoe het mogelijk ontvangen zal worden.
Dat kost ontzettend veel vrijheid.
Als je Kate Winslet nu hoort praten, klinkt daar een totaal andere vrouw in door. Ze spreekt open over ouder worden, over haar lichaam en over hoe zonde ze het vindt om zoveel energie te verspillen aan zelfkritiek. Met de jaren lijkt de blik naar buiten steeds minder bepalend te zijn geworden.
Niet omdat kritiek haar nooit meer raakt.
Niet omdat ze op een ochtend wakker werd en ineens volledig onaantastbaar was.
Maar omdat ze zichzelf steeds minder is gaan bekijken door de ogen van anderen.
En volgens mij zit daar een vorm van zelfvertrouwen in waar we veel te weinig over praten.
Zelfvertrouwen is niet alleen denken: ik ben geweldig.
Het is ook jezelf niet steeds opnieuw ter discussie stellen.
Niet bij iedere vergelijking concluderen dat jij anders zou moeten zijn.
Niet automatisch aannemen dat de manier waarop een ander het doet de betere manier is.
Niet voortdurend schaven aan jezelf totdat er uiteindelijk een keurige, veilige en volledig onherkenbare versie van jou overblijft.
Want juist wanneer je minder bezig bent met hoe je overkomt, ontstaat er ruimte om te laten zien wie je bent.
Je ideeën.
Je humor.
Je visie.
Je ervaring.
Je rafelrandjes.
Hetgeen waardoor iemand bij jou denkt: ja, háár bedoel ik.
Wat ik van Kate meeneem:
Hoe minder je jezelf door de ogen van anderen bekijkt, hoe vrijer je wordt om jezelf te laten zien zoals je echt bent.
En misschien is dat na deze eerste twee verhalen wel een mooie gedachte om even bij stil te staan.
Brené leert ons dat zichtbaar zijn ook betekent dat mensen iets van je kunnen vinden. Kate laat zien wat er kan gebeuren als je die blik van buiten vervolgens zó belangrijk maakt dat je jezelf erdoor gaat bekijken.
Ergens daartussen ligt de kunst.
Niet ongevoelig worden voor wat anderen vinden, maar ook niet langer ieder oordeel gebruiken als spiegel voor wie jij zou moeten zijn.
Want jij hoeft niet eerst totaal onverschrokken, onaantastbaar of honderd procent zelfverzekerd te worden voordat je je plek mag innemen.
Misschien ontstaat juist een deel van die stevigheid doordat je het steeds opnieuw doet.
De arena in.
Jezelf laten zien.
En onderweg steeds iets beter leren herkennen welke stemmen iets waardevols te zeggen hebben — en welke je rustig op de tribune mag laten zitten.


